|
28 december 1967: wet betreffende de onbevaarbare waterlopen Laatste aanpassing: 18 juli 2003 |
HOOFDSTUK I.
- De classificering van de onbevaarbare waterlopen.
Artikel 1
In onderhavige wet
wordt verstaan onder :
1. Onbevaarbare waterlopen : de rivieren en beken welke door de regering niet
bij de bevaarbare waterlopen gerangschikt zijn, stroomafwaarts van het punt
waarop hun waterbekken ten minste 100 hectare bedraagt. Dit punt wordt de
oorsprong van de waterloop genoemd;
2. Waterbekken : de oppervlakte van het geheel van de gronden waarvan de
waterafvoer door de waterloop wordt verzekerd stroomopwaarts van een bepaald
punt.
Artikel 2
De onbevaarbare
waterlopen worden in drie categorieën gerangschikt.
Worden gerangschikt :
1. In de eerste categorie : de gedeelten van de onbevaarbare waterlopen,
stroomafwaarts van het punt waar hun waterbekken ten minste 5 000 hectare
bedraagt;
2. In de tweede categorie : de onbevaarbare waterlopen of gedeelten ervan die
noch in de eerste noch in de derde categorie gerangschikt zijn;
3. In de derde categorie : de onbevaarbare waterlopen of gedeelten ervan,
stroomafwaarts van hun oorsprong, zolang zij de grens niet hebben bereikt van de
gemeente waar die oorsprong zich bevindt, of tot zij uitmonden, hetzij in
bevaarbare waterlopen, hetzij in onbevaarbare waterlopen van de eerste of van de
tweede categorie; alsmede elke waterloop waarvan het waterbekken geen 100
hectare bedraagt en waarvan het debiet abnormaal verzwaard wordt, of waarvan het
water verontreinigd is door afvalwater.
Artikel 2bis.
Onverminderd de
bepalingen van artikel 4 wordt de klassering behouden van de waterlopen die in
de tweede categorie gerangschikt waren op het ogenblik van de inwerkingtreding
van de wet van 30 december 1975 houdende :
1° bekrachtiging van koninklijke besluiten genomen in uitvoering van de wet van
23 juli 1971 betreffende de samenvoeging van gemeenten en wijziging van hun
grenzen;
2° afschaffing van de randfederaties opgericht door de wet van 26 juli 1971
houdende organisatie van de agglomeraties en federaties van gemeenten, en dit
ongeacht de wijzigingen die in de gemeentegrenzen worden aangebracht door
voornoemde wet.
Artikel 3
§ 1. De gouverneur van
de provincie op wier grondgebied het waterbekken van een onbevaarbare waterloop
100 hectare bedraagt, bepaalt zijn oorsprong. Hij bepaalt tevens het punt van
waar af waterlopen of gedeelten ervan in toepassing van artikel 2, 3 in fine in
de derde categorie gerangschikt worden.
Wanneer het punt waarop het waterbekken van een onbevaarbare waterloop 100
hectare bedraagt, zich bevindt op de grens van twee provinciën, wijst de
Minister van Landbouw de gouverneur aan die bevoegd is om de oorsprong van die
waterloop te bepalen.
§ 2. De Koning bepaalt het punt van waar af de waterloop in de eerste categorie
gerangschikt is.
Artikel 4
De Koning mag, om
redenen van algemeen nut of klaarblijkelijk landbouwbelang, op de voordracht van
de Minister van Landbouw :
1. Elke kunstmatige waterweg alsmede waterlopen of delen van waterlopen waarvan
het waterbekken geen 100 hectare bedraagt, bij de onbevaarbare waterlopen
rangschikken. Hij bepaalt er de categorie van;
2. Onbevaarbare waterlopen van de derde of van de tweede categorie naar een
hogere categorie overbrengen :
-
wanneer het debiet van deze waterlopen abnormaal verzwaard wordt door lozing van riool- of industriewater;
-
wanneer het water van deze waterlopen op abnormale wijze verontreinigd is door afvalwater;
-
wanneer het water van deze waterlopen een opstuwing ondergaat ten gevolge van een stuw of enigerlei vaste hindernis;
-
of wanneer hun helling of hun ligging het onderhoud ervan abnormaal duur maken.
Behoudens wanneer het
een rangschikking in de eerste categorie betreft, wint de Minister vooraf het
advies in van de ter zake bevoegde bestendige deputatie van de provincie.
Artikel 5
De bestendige
deputaties van de provinciale raden zijn belast, zich voegend naar de
onderrichtingen van de Minister van Landbouw, met het opmaken en bijhouden van
de beschrijvende tabellen van de onbevaarbare waterlopen en van alle andere
bescheiden dienend om de toestand ervan op te nemen.
De Minister van Landbouw kan de gemeentebesturen de verplichting opleggen voor
de uitvoering van die opdrachten met de provinciale overheden mede te werken.
Hij regelt de verdeling van de er aan verbonden uitgaven en de wijze waarop de
door de provinciën gedane voorschotten worden teruggevorderd.
De Minister van Landbouw bepaalt welke aanduidingen in deze tabellen en
bescheiden moeten voorkomen en schrijft voor op welke wijze en binnen welke
termijn zij worden opgemaakt. Hij bepaalt de modaliteiten van het onderzoek, van
de bezwaren en van de beroepen waartoe het opmaken van de tabellen en bescheiden
aanleiding geeft alsook die van hun definitieve goedkeuring. Hij stelt eveneens
regelen inzake het bewaren en bijhouden van deze bescheiden.
HOOFDSTUK II.
- Gewone ruimings-, onderhouds- en herstellingswerken.
Artikel 6
In onderhavige wet wordt verstaan onder " gewone ruimings-, onderhouds- en herstellingswerken " :
-
het uitbaggeren van de waterloop tot op de vaste bodem;
-
het uittrekken en verwijderen uit de waterloop van wortels, takken, biezen, riet, kruiden en over het algemeen alle vreemde voorwerpen en het neerleggen ervan op de oevers;
-
het wegruimen uit de waterloop van de aanspoelingen op de bolle oevers en uitspringende hoeken;
-
het reinigen van de doorgangen van de waterloop onder bruggen en overwelfde vakken;
-
het herstellen van de oevers die ingezakt zijn bij middel van palen, rijswerk en andere materiaal; het wegnemen van struik- en houtgewas wanneer dit de loop van het water belemmert;
-
het herstellen en verstevigen van de langsheen de waterloop bestaande dijken en het verwijderen van al hetgeen zich daarop bevindt zo dit de loop van het water zou hinderen, ongeacht of de dijk aan privaat- of publiekrechtelijke eigenaars toebehoort;
-
het onderhouden en herstellen en het verzekeren van de normale werking van de pompstations die zich op de waterlopen bevinden, ongeacht of zij aan privaat- of publiekrechtelijke eigenaars toebehoren.
Artikel
7
§ 1. De ruimings-, onderhouds- en
herstellingswerken aan de waterlopen van de eerste categorie worden door de
Staat uitgevoerd overeenkomstig vooraf door de Minister van Landbouw
vastgestelde termijnen en modaliteiten.
§ 2. De ruimings-, onderhouds- en herstellingswerken aan de waterlopen van de
tweede categorie worden uitgevoerd door de provincie op wier grondgebied die
waterlopen gelegen zijn.
Wanneer die werken betrekking hebben op een waterloop of een gedeelte van een
waterloop die de grens vormt van twee provinciën, wijst de Minister van Landbouw
de provincie aan die met de uitvoering ervan belast is.
§ 3. De ruimings-, onderhouds- en herstellingswerken aan de waterlopen van de
derde categorie worden uitgevoerd onder het toezicht van de provincie, door de
gemeente op wier grondgebied die waterlopen gelegen zijn.
§ 4. De in §§ 2 en 3 bedoelde werken moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de
bepalingen van het provinciaal reglement betreffende de onbevaarbare waterlopen.
Dit reglement moet de modaliteiten van die uitvoering regelen, onder meer de
termijnen binnen welke zij moet geschieden; het moet ook bepalen dat jaarlijks
een schouwing zal gedaan worden van de waterlopen van de tweede en de derde
categorie ten einde vast te stellen welke werken moeten worden ten uitvoer
gelegd in de loop van de daaropvolgende periode van twaalf maanden.
Artikel
8
De door die werken veroorzaakte
kosten worden gedragen door de openbare besturen die met hun uitvoering belast
zijn. Een bijdrage in die kosten mag ten laste gelegd worden van de privaat- of
publiekrechtelijke personen die gebruiker zijn van de waterloop of die eigenaar
zijn van een kunstwerk dat zich op de waterloop bevindt, in verhouding tot de
verzwaring van de kosten van die werken welke het gevolg is van het gebruik van
de waterloop of van het bestaan van het kunstwerk.
Die bijdrage wordt bepaald door de Minister van Landbouw wat de waterlopen van
de eerste categorie betreft en door de bestendige deputatie van de provincie wat
de waterlopen betreft van de tweede en van de derde categorie.
Artikel
9
De bijzondere verplichtingen welke,
hetzij door het gebruik, hetzij door titels of overeenkomsten opgelegd worden,
blijven behouden en zij moeten uitgevoerd worden onder de leiding van de
overheden die belast zijn met de uitvoering van de ruimings-, onderhouds- en
herstellingswerken.
De bruggen en andere private werken worden onderhouden en hersteld door diegenen
aan wie ze toebehoren, zoniet kan de Minister van Landbouw, wat de waterlopen
van de eerste categorie betreft, en de bestendige deputatie van de provincie,
wat betreft de andere waterlopen, de werken doen uitvoeren op kosten van de
eigenaars, onverminderd de bij deze wet bepaalde straffen.
HOOFDSTUK III.
- Buitengewone werken van verbetering of wijziging.
Artikel
10
§ 1. In onderhavige wet wordt
verstaan onder :
1. Buitengewone werken van verbetering : alle werken zoals uitgraving,
verbreding, rechttrekking en over het algemeen alle wijzigingen aan de bedding,
het tracé of de kunstwerken die zich op de waterloop bevinden en die er toe
strekken de waterafloop gevoelig te verbeteren;
2. Buitengewone werken van wijziging : alle andere werken die de bedding, het
tracé of de kunstwerken die zich op de waterloop bevinden, wijzigen en die,
zonder de waterafloop te schaden, er niet toe strekken deze te verbeteren.
§ 2. Particulieren, (...), polders, wateringen, openbare instellingen,
gemeenten, provinciën en de Staat kunnen, in voorkomend geval, met inachtneming
van de wettelijke bepalingen betreffende de onteigening ten openbare nutte en
onder de bij onderhavige wet bepaalde voorwaarden, buitengewone werken van
verbetering of van wijziging aan de onbevaarbare waterlopen uitvoeren, zulke
waterlopen afschaffen of er nieuwe aanleggen.
Afdeling 1. - Buitengewone werken van verbetering.
Artikel 11
Onverminderd de
bepalingen van artikel 12 van deze wet :
1. worden de buitengewone werken van verbetering die betrekking hebben op
waterlopen van de eerste categorie, uitgevoerd door en op kosten van de Staat
onder het gezag van de Minister van Landbouw;
2. worden de buitengewone werken van verbetering die betrekking hebben op
waterlopen van de tweede categorie beslist door de bestendige deputatie van de
provincie en, onder het toezicht van de Minister van Landbouw, uitgevoerd door
en op kosten van de provincie op wier grondgebied die waterlopen gelegen zijn.
Indien die werken betrekking hebben op een waterloop of op een gedeelte van een
waterloop die de grens vormt tussen twee provinciën, worden zij uitgevoerd door
deze die belast is met de ruimings-, onderhouds- en herstellingswerken;
3. worden de buitengewone werken van verbetering die betrekking hebben op
waterlopen van de derde categorie, beslist door de gemeenteraad van de gemeente
op wier grondgebied die werken moeten gedaan worden en, na goedkeuring van die
beslissing door de bestendige deputatie van de provincie, onder het toezicht van
deze laatste uitgevoerd door en op kosten van de gemeente die de beslissing
heeft genomen.
Artikel
12
Particulieren, (...), polders, wateringen en openbare instellingen mogen slechts buitengewone werken van verbetering aan onbevaarbare waterlopen uitvoeren nadat zij daartoe machtiging hebben verkregen:
1. van de Koning op
voordracht van de Minister van Landbouw voor werken die betrekking hebben op
waterlopen van de eerste categorie;
2. van de bevoegde bestendige deputatie van de provincie voor werken die
betrekking hebben op waterlopen van de tweede en van de derde categorie.
Artikel 13
Onverminderd de door
de openbare besturen verleende toelagen worden de door die werken veroorzaakte
kosten gedragen door hen die er het initatief van genomen hebben.
De Minister van Landbouw wat de waterlopen van de eerste categorie betreft, en
de bestendige deputatie van de provincie wat de andere waterlopen betreft,
kunnen een deel van de kosten ten laste leggen van de provinciën, de gemeenten,
de openbare instellingen of zelfs van de particulieren die uit bedoelde werken
voordeel halen of deze werken noodzakelijk hebben gemaakt.
Afdeling 2.
- Buitengewone werken van wijziging.
Artikel
14
§ 1. Particulieren,
(...), polders, waterweringen en openbare instellingen mogen slechts
buitengewone werken van wijziging aan onbevaarbare waterlopen uitvoeren nadat
zij daartoe machtiging hebben verkregen :
1. van de Koning op voorstel van de Minister van Landbouw voor werken die
betrekking hebben op waterlopen van de eerste categorie;
2. van de bestendige deputatie van de provincie voor werken die betrekking
hebben op waterlopen van de tweede en van de derde categorie.
Indien die werken betrekking hebben op een waterloop of een gedeelte van een
waterloop die de grens vormt tussen twee provinciën, wordt de machtiging
verleend door de bestendige deputatie van de provincie die belast is met de
ruimings-, onderhouds- en herstellingswerken.
Die werken worden uitgevoerd onder het toezicht van de Minister van Landbouw wat
betreft de waterlopen van de eerste categorie en van de bevoegde bestendige
deputatie van de provincie wat betreft de andere waterlopen.
§ 2 . De Staat mag buitengewone werken van wijziging uitvoeren aan de
onbevaarbare waterlopen.
Buitengewone werken van wijziging die uitgevoerd worden op initiatief van een
andere staatsdienst dan het Ministerie van Landbouw, behoeven gunstig advies van
de Minister van Landbouw wat betreft de waterlopen van de eerste categorie en
advies van de bevoegde bestendige deputatie van de provincie wat betreft de
andere waterlopen.
Artikel
15
De door buitengewone
werken van wijziging veroorzaakte kosten worden gedragen door hen die er het
initiatief van genomen hebben.
HOOFDSTUK IV.
- Algemene bepalingen.
Artikel
16
De bedding van een
onbevaarbare waterloop wordt geacht toe te behoren aan het Rijk, aan de
provincie die belast is met de ruimings-, onderhouds- en herstellingswerken of
aan de gemeente, naar gelang het een waterloop van de eerste, van de tweede of
van de derde categorie betreft.
Gedurende zes maanden te rekenen van de betekening die hun daarvan door de
bevoegde overheid gedaan wordt, hebben de aangelanden van de verlaten bedding
het recht zich te doen machtigen in volle eigendom over het vrijgemaakt terrein
te beschikken, mits ze zich er toe verbinden, naar het verslag van deskundigen,
de waarde te betalen hetzij van de eigendom, hetzij van de meerwaarde ingeval
zou bewezen zijn dat zij eigenaars waren van de grond.
Artikel 17
(VLAAMSE GEMEENSCHAP – Decreet Vlaamse Raad 18 juli 2003)
§ 1. De aangelanden,
de gebruikers en de eigenaars van kunstwerken op de waterlopen zijn verplicht :
1. Doorgang te verlenen aan de personeelsleden van het bestuur, aan de
werklieden en aan de andere met de uitvoering van de werken belaste personen;
2. Op hun gronden of eigendommen de uit de bedding van de waterloop opgehaalde
voorwerpen en de voor de uitvoering van de werken nodige materialen, gereedschap
en werktuigen te laten plaatsen.
§ 2. Geen vergoeding is aan de aangelanden, aan de gebruikers en aan de
eigenaars van kunstwerken verschuldigd uit hoofde van de plaatsing op hun
gronden of eigendommen binnen een strook van vijf meter vanaf (het einde van de
oeverzone), van de produkten die voortkomen van de ruimingswerken.
De Minister van Landbouw, de bestendige deputaties en de colleges van
burgemeester en schepenen naar gelang het geval, kunnen evenwel beslissen dat de
oevers zullen ontdaan worden van die produkten. De produkten van de ruiming
zullen gelijkmatig verdeeld worden over de beide oevers; indien deze produkten
schadelijk zijn, zullen zij op kosten van het Gewest, de provincie of de
gemeente, naargelang het geval, onverwijld worden verwijderd.
§ 3. De aangelanden,
de gebruikers en de eigenaars van kunstwerken kunnen aanspraak maken op een
schadeloosstelling voor de schade die zij hebben geleden naar aanleiding van de
uitvoering van de buitengewone werken. Die schadeloosstelling wordt in de kosten
van de werken verrekend.
Artikel
18
Onderhavige wet is van
toepassing in de polders en de wateringen wat betreft de waterlopen van de
eerste categorie. Zij doet geen afbreuk aan de reglementen van die besturen wat
de andere waterlopen betreft.
Die besturen kunnen evenwel, op hun verzoek, van de bestendige deputatie van de
provincie het genot van de toepassing van deze wet verkrijgen wat betreft de
classificiering van de op hun gebied gelegen waterlopen en de verdeling van de
kosten voor de gewone werken.
Artikel 19
De door de Koning, de Minister van Landbouw, de gouverneur van de provincie, de bestendige deputatie van de provincie of het gemeentebestuur overeenkomstig de artikelen 3, 4, 8, 10, 11, 12, 13, 14 en 18 van deze wet te nemen beslissingen, moeten worden voorafgegaan van een onderzoek de commodo et incommodo in de betrokken gemeenten.
Verhaal bij de Koning
kan ingesteld worden tegen de krachtens de artikelen 3, 8, 9, 11, 12, 13, 14 en
18 door de gouverneur van de provincie of door de bestendige deputatie van de
provincie genomen beslissingen.
Dit verhaal moet genomen worden :
1. Door de gouverneur van de provincie tegen de beslissingen van de bestendige
deputatie van de provincie, binnen tien dagen na de beslissing, overeenkomstig
artikel 125 van de provinciale wet;
2. Door het college van burgemeester en schepenen of door de belanghebbende
publiek- of privaatrechtelijke personen binnen dezelfde tijd, te rekenen vanaf
de dag dat de beslissing hun wordt betekend of vanaf de bekendmaking ervan langs
de administratieve weg.
Artikel 20
Met politiestraffen
worden gestraft, onverminderd de zwaardere straffen bij het Wetboek van
strafrecht voorgeschreven, zij die de bepalingen van deze wet of van de ter
uitvoering ervan getroffen reglementen overtreden.
Artikel 21
De Koning is bevoegd
een algemeen politiereglement van de onbevaarbare waterlopen op te maken.
Hij bepaalt in dat reglement wat zal gebeuren met de werken die wederrechterlijk
op de onbevaarbare waterlopen bestaan.
Hij stelt, in ditzelfde reglement, benevens de straf, regelen betreffende de
modaliteiten van de herstelling van de overtreding en bepaalt de te volgen
procedure voor het geval dat de beklaagde een recht van eigendom of een ander
zakelijk recht inroept.
Artikel 22
De door de Minister
van Landbouw en door de Minister van Openbare Werken aangewezen ambtenaren van
het Rijk en van de provinciën hebben, zowel als de officieren van gerechtelijke
politie, het recht de bij artikelen 20 en 23 bedoelde overtredingen op te sporen
en bij middel van processen-verbaal vast te stellen.
Artikel 23
§ 1. De provinciale raden zijn ertoe gehouden hun provinciale reglementen betreffende de onbevaarbare waterlopen in overeenstemming te brengen met deze wet en met de ter uitvoering ervan getroffen besluiten.
Zij zijn er eveneens toe verplicht in die reglementen regelen te stellen betreffende de waterlopen die niet onder de gelding vallen van deze wet, onder meer wat betreft :
-
de ruiming, het onderhoud en de herstelling ervan;
-
de buitengewone werken van verbetering of wijziging van de bedding of het trace van de waterloop;
-
de vereiste machtigingen voor het aanleggen, het verwijderen of het veranderen van bruggen, sluizen, stuw- of keerdammen, overwelvingen of andere tijdelijke of bestendige kunstwerken;
-
de vereiste machtigingen voor beplantingen en voor het oprichten van gebouwen langs de waterloop;
-
het verbod de loop van het water op enigerlei wijze te belemmeren of de normale staat van het water van de waterloop, van zijn oevers of van de werken die er zich op bevinden, te beschadigen.
§ 2. Die provinciale
reglementen behoeven voor hun tenuitvoerlegging de goedkeuring van de Koning.
Zij kunnen slechts politiestraffen bepalen.
Artikel 24
Opgeheven worden :
1. de wet van 7 mei
1877, op de politie der onbevaarbare en onvlotbare waterlopen;
2. de wet van 15 maart 1950, tot wijziging van de wetgeving betreffende de
onbevaarbare waterlopen, gewijzigd bij de wet van 16 februari 1954, en bij
artikel 114, 9°, van de wet van 3 juni 1957, betreffende polders;
3. artikel 105 van de wet van 5 juli 1956, betreffende de wateringen en artikel
104 van de wet van 3 juni 1957, betreffende de polders.
Artikel 25
De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van deze wet.