Wet van 7 mei 1877 op de politie van de niet bevaarbare en niet vlotbare waterlopen

Artikelen die nog steeds van kracht zijn overeenkomstig artikel 1,&1 van het K.B. van 30 januari 1958 houdende algemeen politiereglement van de polders en van de wateringen

IVde HOOFDSTUK: POLITIE

1° Afdeling: Fabrieken en andere werken

Art 23. Geen molen, fabriek, brug, sluis, versperring, keerdam en in het algemeen geen blijvend of tijdelijk werk, van aard om eenigen invloed uit te oefenen op het gebied der waters, mag opgericht, weggeruimd of gewijzigd worden zonder voorafgaandelijke machtiging der bestendige afvaardiging.

Art 24. De bestendige afvaardiging zal aan de fabrieken en andere versperringen de peilspijkers doen stellen die zij noodig acht.

Art 25. De fabriekanten en andere gebruikers zijn gehouden voor het openen en het sluiten der sluizen, en derzelver val- en vleugeldeuren zich te gedragen naar de bevelen van de bestendige afvaardiging. Zij zijn insgelijks gehouden, in geval van nood of wanneer de waters de hoogte van het peil overtreffen, te gehoorzamen aan de bevelen van het gemeentebestuur of der aangestelden gelast met het vaststellen of het aangeven der overtredingen.

Art. 26 ... Om deze schaden te doen ophouden of om den terugkeer er van te voorkomen, zal de bestendige afvaardiging de uitvoering van de noodige werken kunnen voorschrijven, en zelfs de hoogte van den peilspijker verlagen.

2° Afdeling: Overtredingen, vervolgingen, straffen

Art. 27. Worden gestraft met enkele politiestraffen, ongeminderd de zwaardere straffen door de strafwet bepaald :

1° Zij die verwaarloosd hebben zich te gedragen volgens de voorschriften gegeven krachtens artikel 10 en artikel 26, §2, der tegenwoordige wet.
2° Zij die de artikelen 23 en 25 overtreden.
3° Zij die, op welke wijze ook, de kanten of de dijken zullen beschadigen, verlagen of verzwakken.
4° Zij die de waterloopen zullen verstoppen, er om het even welke voorwerpen in werpen of leggendie den vrijen afloop kunnen verhinderen.
5° Zij die er vloeistoffen laten in loopen, er zelfstandigheden in werpen of leggen, die de waters er van kunnen bederven of ontaarden, behoudens de uitzonderingen door de provinciale reglementen, en bij ontstentenis van deze reglementen, door de bestendige afvaardiging te bepalen.
6° Zij die de peilspijkers wegnemen of verplaatsen, hoogrniddelen gebruiken, of op elk andere wijze den wettelijken staat der molens, fabrieken of waterafleidingen veranderen.

Art. 28. Zullen met dezelfde straffen gestraft worden, zij die de bedding der waterloopen verplaatsen of schade toebrengen aan hunnen gewonen en regelmatigen staat, door de wegneming van graszoden, aarde, slijk, zavel, kiezelzand of andere materialen, indien zij daartoe de machtiging niet hebben erlangd van de bestendige deputatie.

Art. 29. In al de gevallen van overtreding der tegenwoordige wet, behalve de straf, zal de rechter, indien daartoe grond is, de herstelling van de overtreding uitspreken binnen den tijd, door het vonnis te bepalen, en statueeren dat in geval dezelve niet uitgevoerd is, het gemeentebestuur er in zal voorzien ten koste van den overtreder die, krachtens hetzelfde vonnis, tot de terugbetaling van de uitgave zal kunnen gedwongen worden, bij eenen enkelen staat opgemaakt door het Collegie van burgemeester en schepenen.

Art. 32 De agenten der wegen of de bijzondere agenten behoorlijk beëdigd hebben ten zelfden titel als de agenten der rechterlijke politie, het recht om de overtredingen in zake van waterloopen vast te stellen, en proces-verbaal er van op te maken. De beambten der bruggen en wegen kunnen de overtredingen van de artikelen 23 en 25 vaststellen.

Vde HOOFDSTUK: ALGEMEENE BEPALINGEN

Art. 33. Indien een waterloop verscheidene gemeenten van dezelfde provincie aanbelangt, wordt er, in geval van verschil tusschen de gemeenteoverheden rakende de vraagstukken betrekkelijk het beheer ervan, door de bestendige afvaardiging uitspraak gedaan, overeenkomstig met artikel 79 der provinciale wet. Wanneer een waterloop meer dan eene provincie of gemeenten toebehoorende aan onderscheidene provinciën aanbelangt, wordt er, in geval van verschil, uitspraak gedaan door den Koning.

Art. 34. De besluiten door de bestendige afvaardigingen te nemen, overeenkomstig artikel 23 der tegenwoordige wet, worden voorafgegaan van een onderzoek de commodo et incommodo in de belanghebbende gemeenten. De kosten van de bestuurlijke instructie, waartoe de oprichting, de wegruiming of de verandering der werken besproken in de artikelen 23 en 24 zullen aanleiding geven, zijn ten laste van de verzoekers en worden geïnd zooals in zake van rechtstreeksche belastingen.

Art. 35. Er kan bij den Koning in beroep worden gegaan tegen de beslissingen der afvaardiging, genomen krachtens de artikelen 23 en 26. Dit beroep zal moeten uitgeoefend worden door de regeering, binnen de tien dagen te rekenen van het besluit, door de gemeentebesturen of door de belanghebbende bijzonderen binnen denzelfden termijn te rekenen van de kennisgeving die hun daarvan bestuurlijk zal gedaan worden.

Art. 36. Binnen den tijd van twee jaren, te rekenen van de bekendmaking, der tegenwoordige wet, zullen de provincieraden de herziening bewerken van de reglementen bestaande op het stuk. De nieuwe reglementen zullen maar uitvoerbaar zijn na goedkeuring door den Koning.

Art. 37. De straffen door de provinciale reglementen te bepalen, mogen de straffen van enkele politie niet te boven gaan. De zwaardere straffen door de in kracht zijnde reglementen uitgesproken, zijn uit volle recht, verminderd op het maximum der straffen van enkele politie.

Art. 38. In geval van niet uitvoering der werken voorgeschreven, der bevelen gegeven of der vonnissen uitgesproken krachtens de tegenwoordige wet, wordt er van ambtswege in voorzien door de bestuurlijke overheid en op de kosten van de overtreders. Deze kosten worden ingevorderd bij eenen enkelen staat, zooals in zake van rechtstreeksche belastingen.